In 2006 was het 250 jaar geleden dat W.A. Mozart werd geboren. Op 21 april 1766, was de 10-jarige Mozart in Utrecht om een concert te geven tijdens een grote tournee. Precies 240 jaar later, op 21 en 22 april 2006, voerde het KOW de korte opera Thamos van Mozart uit.
Mozart schreef de opera Thamos tussen 1773 en 1779, en wordt wel gezien als een opzet naar zijn latere werk Die Zauberflöte. Mozart richtte zijn blik rond 1778 naar de Duitse opera. Hij raakte in die tijd geïnteresseerd in melodrama: gesproken woord bij instrumentale muziek. Het stuk is typerend voor de Sturm und Drang die in de Duitse theaters in de jaren 1770 en daarna ingang vond.
Thamos is een Egyptisch koningsdrama, en werd geschreven in opdracht van een vrijmetselaarsloge. Het verhaal is gebaseerd op een tekst van Tobias Philipp, Freiherr von Gebler, die vrijmetselaar was. Een tekst die naar de huidige maatstaven een 'dramatisch gezwollen' lading heeft.
Thamos is een verhaal waarin list en bedrog, ontvoering en moord een grote bedreiging zijn voor de troonsopvolging, maar waarin liefde en gerechtigheid uiteindelijk zegevieren.
De opera bestaat uit 7 delen:
De instrumentale tussenaktes drukken de gebeurtenissen van het verhaal en de emoties van de personages uit. Het unieke van deze productie is dat de verhaallijn tijdens deze tussenaktes door drie balletdansers in samenspel met de vier solisten wordt verteld. Het koor vormt - in de klassieke zin - de reactie van de toeschouwers op het gebeuren.
Deze opera wordt weinig uitgevoerd en dan vrijwel steeds concertante. Het KOW voerde Thamos uit als een volledige opera in een combinatie van koor, solisten en balletdansers. In de regie krijgt de in Thamos aanwezige vrijmetselaars-symboliek vorm in het samenspel tussen solisten en balletdansers en in decor en kostuums.
Koning Menes is tijdens een revolutie onttroond en naar men aanneemt hierbij omgekomen. Hij heeft een dochter, Tharsis, die blijkbaar op dat ogenblik ontvoerd werd. De rebelse tegenstander van Menes, Ramesses, is net overleden. Diens zoon, Thamos, zal vandaag de troon bestijgen en een vrouw kiezen.
Thamos, de zoon van heerser Ramasses, houdt van Sais, een zonnepriesteres. Zij weet niet dat
zij de dochter is van de wettige koning Menes. Men denkt dat Menes tijdens de revolutie is
omgekomen, maar hij heeft zich onder de naam Sethos en vermomd als hogepriester in de
Zonnetempel weten te redden.
Wanneer Ramasses sterft zal Thamos hem opvolgen. Thamos vertrouwt Pheron, zijn generaal. Maar
omdat zij de ware identiteit van Sais kennen heeft Pheron met zijn tante Mirza, een
hogepriesteres, een samenzwering tegen Thamos beraamd. Pheron houdt namelijk ook van Sais en
hoopt door haar aan de macht te komen. Mirza werkt als intrigante. Zij zegt tegen Thamos dat
hij moet trouwen met Myris en zegt tegen Sais dat Thamos niet van haar houdt.
Samen met zijn vriend Phanes lukt het Menes/Sethos zijn dochter en Thamos ervan te overtuigen dat Pheron en Mirza tegen Thamos samenspannen. Pheron grijpt de wapens, maar Menes onthult zijn ware identiteit en laat Pheron oppakken. Ook Mirza wordt gevangengenomen. Pheron wordt door de bliksem getroffen en zijn medeplichtige tante Mirza pleegt zelfmoord.
De wettige maar onttroonde koning Menes zorgt ervoor dat zijn dochter, met haar geliefde
Thamos aan haar zijde, op de troon komt.
Regisseur Peter Jonckheer heeft zich verdiept in de rijke symboliek die Mozart vanuit zijn kennis van de vrijmetselarij in deze opera heeft ingebracht. Mozart is daarbij waarschijnlijk gesouffleerd door zijn opdrachtgever, want zelf is hij eerst in 1784 toegetreden tot een vrijmetselaarsloge in Wenen.
Mozart heeft aan de oorspronkelijke 5-delige tekst een 6de deel toegevoegd: een epiloog. Dit
getal 6 herinnert aan de 6-kantige kubus, het eindwerkstuk van de maçon - de
vrijmetselaar die zijn eigen ruwe steen moet bewerken tot een perfecte 6-kantige vorm.
Ook de plaatsing in Egypte doet recht aan deze symboliek en vormt een setting die later in
Die Zauberflöte weer terugkomt.
Het eerste en tweede koorstuk zijn in origine een gebed tot de zon, maar worden nu eerder
beschouwelijk voorgesteld.
Dan volgen vijf muzikale delen die eigenlijk een commentaar zijn op de dramatische handeling
(zie de verhaallijn). Het verhaal, en de psychologie van het stuk wordt door 2 x 2 solisten
en 3 dansers (samen het getal 7) verbeeld. In het samenspel van choreografie, regie en muziek
ontstaat de mogelijkheid om de sfeer die Mozart in de muziek heeft gelegd uit te werken met
gebruik van de getallen 3, 5 en 7 (wezenlijke getallen in de vrijmetselarij).
Het koor zit in twee rijen tegenover elkaar, als in een vrijmetselaarsbijeenkomst, en vervult daarbij voornamelijk een beschouwende rol. Het is het 'publiek' dat kijkt en luistert naar een verhaal - als een voorstelling in een voorstelling - en er commentaar op geeft.
In de regie van Peter Jonckheer krijgt dit onbekende werk van Mozart de eer die het verdient, zowel muzikaal als dramaturgisch.